Hoofdpagina

Oprichting - evolutie - structuur

Materie
Algemeen
Lijst behandelde materies

Nieuwsberichten
Archief

Wetenschappelijke bijdragen

Advocaten

Wegbeschrijving

 

Ponet & De Vleeschauwer
Van Putlei 9
2018 Antwerpen
Tel. (03)248.48.40
Fax. (03)216.36.71
e-mail: ponet@ponet-law.be

Nieuwsberichten Archief

24/04/2006

LANDVERZEKERING

In het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2006 werd de Wet van 22 februari 2006 tot wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de Wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen gepubliceerd.

Met deze wet wordt de Richtlijn (EG) 2002/92 van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende de verzekeringsbemiddeling omgezet in Belgisch recht.

Het oogmerk van de desbetreffende Richtlijn was tweevoudig. Zij strekt ertoe de goede werking van de interne verzekeringsmarkt te bevorderen door belemmeringen inzake de werkzaamheden van de verzekeringstussenpersonen binnen de Europese Economische Ruimte weg te werken. Daarnaast beoogt zij , door middel van de coördinatie van de nationale bepalingen betreffende de vereisten van beroepsbekwaamheid en registerinschrijving van personen die actief zijn op het vlak van de verzekeringsbemiddeling, bij te dragen tot het voltooien van de interne markt voor financiële diensten en tot een betere bescherming van de consument op dat gebied.
Op die manier brengt de Richtlijn een Europees paspoort tot stand voor de tussenpersonen die op de interne markt actief willen worden.

De nieuwe regeling legt vooral de klemtoon op de verplichting van de verzekeringstussenpersoon tot het verstrekken van informatie en houdt verder vooral een verscherping in van het toezicht op het verzekerings- en herverzekeringsbemiddelingsbedrijf.

Artikel 33 van deze wet brengt een belangrijke wijziging aan in artikel 13 van de wet op de Landverzekeringsovereenkomst. Waar deze dwingendrechtelijke bepaling oorspronkelijk enkel betrekking had op de wijze van premiebetaling , wordt er thans een tweede lid aan toegevoegd dat betrekking heeft op de wijze van betaling van de verzekeringsprestatie door de verzekeraar.

Deze nieuwe wetsbepaling sluit volledig aan bij artikel 4 (4) , tweede lid , a van de Richtlijn (EG) 2002/92 van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende de verzekeringsbemiddeling.

De nieuwe tekst van artikel 13 L.V.O. luidt :

“Wijze van betaling van de premie en van de verzekeringsprestatie”

1.
De verzekeringspremie is een haalschuld.
Wanneer de premie niet rechtstreeks aan de verzekeraar wordt betaald, is de premiebetaling aan een derde bevrijdend indien deze de betaling vordert en hij voor de inning van die premie klaarblijkelijk als lasthebber van de verzekeraar optreedt.

2.
Wanneer de verzekeraar de bedragen die hij in het kader van de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekerde of zijn rechthebbende is verschuldigd, niet rechtstreeks aan deze laatsten betaalt , bevrijdt enkel de werkelijke ontvangst van deze betaling door zijn verzekerde of zijn rechthebbende de verzekeraar van zijn verplichtingen.”

Aldus wordt – door de toevoeging van dit tweede lid - aan de verzekerde of zijn rechthebbende een aanvullende financiële garantie geboden.

Een premiebetaling gedaan aan een derde bij de verzekeringsovereenkomst (makelaar, agent, plaatsvervangend vertegenwoordiger van de verzekeringsmaatschappij) bevrijdde reeds sedert de inwerkingtreding van de L.V.O.-wet de verzekeringnemer wanneer deze derde de betaling van de premie vorderde én krachtens een klaarblijkelijk mandaat voor de inning van deze premie optrad voor de verzekeraar.
Het vermoeden van een dergelijk mandaat kan onder meer blijken uit de omstandigheid dat de desbetreffende derde reeds als lasthebber van de verzekeraar optrad bij het afsluiten of het uitvoeren van het verzekeringscontract.

Voortaan worden ook de verzekeringspenningen die de verzekeraar aan de tussenpersoon betaalt, pas geacht betaald te zijn aan de verzekerde of de rechthebbende , wanneer deze de betaling daadwerkelijk hebben ontvangen.

Het begrip “rechthebbende” dient ruim te worden geïnterpreteerd . Het omvat – desgevallend- ook de begunstigde of de benadeelde.

De verzekerde of de rechthebbende moeten geen enkel bewijs leveren van de omstandigheid dat de tussenpersoon duidelijk optreedt als lasthebber van de verzekeringsmaatschappij, nu de nieuwe wetsbepaling een wettelijk vermoeden van mandaat creëert.

Artikel 33 van de wet van 22 februari 2006 tot wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de Wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, is in werking getreden op 15 maart 2006.

 

Diefstal van sigaretten uit magazijn: geen BTW meer verschuldigd! ( Europees Hof van Justitie, 14 juli 2005)

Zoals in elke haven worden er ook in onze Antwerpse haven regelmatig sigaretten gestolen. Voor eigenaars, magazijnhouders en expediteurs, zijn dit soort van diefstallen een echte nachtmerrie. Een container vol tabaksproducten vertegenwoordigt een belangrijke waarde. Tot overmaat van ramp komt ook nog de Belgische douane om de hoek kijken. Naast de accijnsrechten die op de gestolen lading verschuldigd zijn, wordt er nog bijkomend BTW ingevorderd. We weten dat accijnsrechten en BTW op tabaksproducten een veelvoud van de productwaarde uitmaken zodat de volledige borgstelling van de expediteur-douaneaangever eraan moet geloven…

De huidige wetgeving.

Tabaksfabrikaten zijn communautaire accijnsproducten. De accijns ontstaat bij de productie of de invoeringvan deze producten. De accijnzen worden onder meer verschuldigd bij het constateren van tekorten. (Richtlijn 92/12/EEG van 25.2.1992)

Naast accijnsrechten kunnen deze tabaksfabrikaten nog bijkomend aan BTW worden onderworpen. Dit is het geval wanneer deze goederen onder bezwarende titel worden geleverd. (Richtlijn 77/388/EEG)

Betreffende tabaksfabrikaten had de Belgische wetgever in artikel 58 van het BTW Wetboek (1969) een afwijkende regeling voorzien. De BTW op deze goederen wordt niet geheven bij de levering maar telkens op het tijdstip dat de accijns moet worden voldaan. In de praktijk worden de tabakswaren voorzien van fiscale bandjes. Deze bandjes bewijzen de betaling van de accijnsrechten en de BTW.

Toen deze Richtlijn 77/388 toepasselijk werd in België, kon artikel 58 hoger vermeld behouden worden. Artikel 27 van deze Richtlijn machtigde immers elke lidstaat om afwijkende maatregelen te nemen ten einde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude te voorkomen.

Standpunt van de Douane.

Wanneer een partij sigaretten, die nog niet voorzien zijn van fiscale bandjes, uit een magazijn wordt gestolen, dienen hierop onmiddellijk de accijnsrechten, en ingevolge artikel 58 ook onmiddellijk BTW, betaald te worden. De BTW wordt bijgevolg, net als de accijnsrechten, verschuldigd bij het vaststellen van het tekort. De ontbrekende sigaretten worden voor de BTW geacht geleverd of verbruikt te zijn ingevolge het vastgestelde tekort.

In theorie kan de douaneplichtige nog het tegendeel trachten te bewijzen. Wanneer bijvoorbeeld de sigaretten later bij de dieven worden teruggevonden en dienen vernietigd te worden ingevolge het overschrijden van de bruikbaarheidsdatum, kan er in principe worden bewezen dat er geen levering of ‘verbruik’ plaatsvond. De betaalde BTW kan dan geregulariseerd worden. (Artikel 77 BTW Wetboek en art. 5 en 11 KB 13) Deze situatie is echter uitzonderlijk: doorgaans kan men de dieven, laat staan de lading, niet terugvinden of werd de lading ondertussen door helers opgekocht.

Een nieuwe mijlpaal in de rechtspraak.

Bij arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2005 werd er geoordeeld dat:

  1. Artikel 58 enkel de heffing van de verschuldigde BTW mag laten plaatsvinden voordat het belastbaar feit (levering) zich voordoet, om de heffing te vergemakkelijken. Artikel 58 mag geen nieuwe categorie BTW in het leven roepen, met name deze die automatisch ingevolge diefstal zou verschuldigd worden of deze die automatisch zou volgen uit het verschuldigd zijn van de accijnsrechten.
  2. Volgens het Hof van Justitie volgt uit de diefstal zelf geen verschuldigde BTW.

    De belastingplichtige wordt niet geacht het goed in het verkeer te hebben gebracht door het louter feit van het vastgestelde tekort. Bij diefstal wordt de dief enkel houder van deze goederen. Onder levering verstaat de Richtlijn in artikel 2 dat er een overdracht plaatsvindt van een lichamelijke zaak waarbij de overdrager de overnemer machtigt daarover feitelijk als eigenaar te beschikken. Een dief krijgt bijgevolg niet de macht op dezelfde wijze over de goederen te beschikken als de eigenaar zelf. Het gevolg is dan ook dat de Belgische douane zich niet op artikel 58 hoger vermeld kan beroepen om de BTW samen me de accijnsrechten te vorderen want er is geen verschuldigde BTW. Het vermoeden van verbruik dat de Belgische douane tot op heden heeft gehanteerd, gaat niet op voor de BTW die ingevolge diefstal wordt geheven.

    Diefstal van goederen vormt geen “levering van goederen onder bezwarende titel” in de zin van Richtlijn 77/388/EEG.
  3. De diefstal kan echter wel aanleiding geven tot het verschuldigd zijn van de BTW wanneer de goederen achteraf door de helers of dieven in de handel worden gebracht. Deze BTW is dan echter niet aan te rekenen op het slachtoffer van de diefstal maar wel op de personen die deze goederen daarna daadwerkelijk heeft ingevoerd of heeft geleverd.

Gelet op deze nieuwe uitspraak van het Europees Hof raden wij alle belastingplichtigen aan om bij de belastingadministratie bezwaar aan te tekenen wanneer BTW wordt geheven op gestolen sigaretten.