PONET & DE VLEESCHAUWER volgt de juridische actualiteit op de voet. Deze informatie, evenals inlichtingen aangaande de activiteiten van de diverse advocaten binnen het kantoor, wordt opgenomen in een periodieke ‘nieuwsbrief’.
De nieuwsbrieven die naar de cliënten verstuurd worden, kunnen hier integraal geraadpleegd worden.
DE GOEDERENVERZEKERINGSPOLIS VAN ANTWERPEN – 20 APRIL 2004
“De goederenverzekeringspolis van Antwerpen – 20 april 2004” is een artikelsgewijs commentaar op de nieuwe transportverzekeringspolis die in april 2004 door de Belgische Vereniging van Transportverzekeraars boven de doopvont werd gehouden. De nieuwe polis vervangt en moderniseert de oude Zeeverzekeringspolis van Antwerpen van 1 juli 1858. Daarom grijpt de auteur in zijn commentaar terug naar de 150-jarige rechtspraak waartoe de oude polisbepalingen aanleiding gaven om de herkomst, doel en betekenis van de nieuwe polisvoorwaarden te verklaren. Hoewel de Antwerpse Zeeverzekeringspolis 1859 – thans de goederenverzekeringspolis 2004 – een wereldspeler is op het gebied van transportverzekering en een zeer belangrijke economische activiteit vertegenwoordigt, blinkt de nationale en internationale rechtsliteratuur uit door een opvallend stilzwijgen. De complexiteit van het onderwerp zal daaraan niet vreemd zijn. Met het huidige werk wordt deze stilte doorbroken en wordt de lezer stap voor stap begeleid in de krachtlijnen die de transportverzekering beheersen. Alzo wordt het werk voorgesteld door uitgeverij Kluwer. Nadat in de schoot van de B.V.T. hard werk was geleverd om een nieuwe goederenverzekeringspolis op te stellen, vond ik het een aangename uitdaging om deze nieuwe polis toe te lichten o.a. op basis van de rechtspraak die er voorhanden is. Hiermee hoop ik een bescheiden bijdrage te kunnen leveren in de dagdagelijkse verzekeringspraktijk.
Voor andere wetenschappelijke bijdragen van ons kantoor, verwijs ik U graag verder naar onze website.
Mr. F. PONET
ERELONEN EN KOSTEN VAN DE ADVOCAAT: BETAALT DE VERLIEZER DE REKENING?
De afgelopen jaren werden we in de loop van hangende procedures steeds vaker geconfronteerd met een bijkomende vordering tot terugbetaling van de door de eisende partij betaalde advocatenerelonen en kosten.
Terecht werd deze praktijk door het Grondwettelijk Hof discriminerend geacht, nu deze mogelijkheid in Cassatiearresten wél werd mogelijk geacht voor eisende partijen, doch niet voor wie zich op gegronde basis verweerde tegen een ongefundeerde vordering van een eiser.
Volgens het Hof van Cassatie kunnen de erelonen en kosten van de bijstand door een juridisch raadsman inderdaad deel uitmaken van de geleden schade, waardoor ze voor vergoeding door de tegenpartij in aanmerking komen.
Het bleek echter een heikel punt om te bepalen wélke sommen er vergoed dienden te worden?
Een wettelijk forfaitair percentage al naar gelang het belang van de zaak? De effectief betaalde kosten? Een welbepaald tarief? Hoe zou één en ander bewezen worden?
Een wettelijke regeling bleek de enige mogelijkheid om deze moeilijke kaap te ronden.
De wetgever heeft daartoe inderdaad het initiatief genomen en geopteerd voor een regeling via het systeem van de rechtsplegingsvergoeding die volgens het vernieuwde artikel 1022 Ger.W. wordt omschreven als “ een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.”
Enige andere vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van de andere partij kan niet langer worden gevorderd.
Er werd voorzien in een basistarief, evenals in een minimum- en maximumbedrag dat dient te worden betaald door de in het ongelijk gestelde termijn.
Deze verhoging of verlaging van het basisbedrag vereist een bijzonder verzoek daartoe van één van de partijen en een gemotiveerde beslissing van de gevatte rechter, die bij de beoordeling rekening kan houden met de volgende factoren:
- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.
Het was wachten op het Koninklijk Besluit van 24 oktober 2007 (B.S. 9 november 2007) om de tarieven van de vernieuwde rechtsplegingsvergoedingen te kennen.
Algemene regels voor de in geld waardeerbare vorderingen
Vordering in EURO |
Minimumbedrag |
Basisbedrag |
Maximumbedrag |
Tot 250,00 |
75 EUR |
150 EUR |
300 EUR |
250,01-750,00 |
125 EUR |
200 EUR |
500 EUR |
750,01-2.500,00 |
200 EUR |
400 EUR |
1.000 EUR |
2.500,01-5.000,00 |
375 EUR |
650 EUR |
1.500 EUR |
5.000,01-10.000,00 |
500 EUR |
900 EUR |
2.000 EUR |
10.000,01- 20.000,00 |
625 EUR |
1.100 EUR |
2.500 EUR |
20.000,01- 40.000,00 |
1.000 EUR |
2.000 EUR |
4.000 EUR |
40.000,01- 60.000,00 |
1.000 EUR |
2.500 EUR |
5.000 EUR |
60.000,01-100.000,00 |
1.000 EUR |
3.000 EUR |
6.000 EUR |
100.000,01-250.000,00 |
1.000 EUR |
5.000 EUR |
10.000 EUR |
250.000,01-500.000,00 |
1.000 EUR |
7.000 EUR |
14.000 EUR |
500.000,01-1.000.000,00 |
1.000 EUR |
10.000 EUR |
20.000 EUR |
Boven 1.000.000,01 |
1.000 EUR |
15.000 EUR |
30.000 EUR |
Deze bedragen gelden per aanleg.
Voor de toepassing van deze tarieven dient men ter bepaling van “het bedrag van de vordering” te kijken naar de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten en met uitsluiting van eventuele dwangsommen. Met de moratoire en vergoedende interesten wordt er dus wél rekening gehouden.
Wanneer het geschil betrekking heeft op een titel van een uitkering van onderhoud, wordt – in afwijking van artikel 561 Ger.W. , het bedrag van de vordering berekend, ter bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, op basis van het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen.
Bij vorderingen in het kader van de summiere rechtspleging om betaling te bevelen in de zin van artikel 1340 Ger.W. zijn de algemene minimumvergoedingen te betalen door de verliezende partij.
Er is geen vergoeding verschuldigd wegens handelingen verricht voor een gerecht waaraan de zaak bij beslissing van de arrondissementsrechtbank is onttrokken.
Er is evenmin een vergoeding verschuldigd indien de verweerder of de gedaagde in hoger beroep vóór de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten.
Indien de verweerder of de gedaagde in hoger beroep, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten, is het bedrag van de vergoeding gelijk aan één kwart van de basisvergoeding, zonder hoger te kunnen zijn dan 1.000 EUR.
Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding.
De basistarieven en de maximum- en minimumbedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen, dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004). Telkens als het indexcijfer met 10 punten daalt of stijgt worden de bedragen van de rechtplegingsvergoeding met 10 % verminderd of vermeerderd.
Niet in geld waardeerbare vorderingen
MINIMUM |
BASIS |
MAXIMUM |
75 EUR |
1.200 EUR |
10.000 EUR |
Bijzondere tarieven voor procedures voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank
Vordering in Eur |
Minimum |
Basis |
Maximum |
tot 249,99 EUR |
26,46 EUR |
36,46 EUR |
46,46 EUR |
250-619,99 EUR |
26,46 EUR |
36,46 EUR |
46,46 EUR |
620-2.500 + niet in geld waardeerbare vorderingen |
26,46 EUR |
36,46 EUR |
46,46 EUR |
boven 2.500 EUR |
57,86 EUR |
72,86 EUR |
87,86 EUR |
Bijzondere tarieven voor procedures voor de arbeidsrechtbank
Vordering in Eur |
Minimum |
Basis |
Maximum |
tot 249,99 EUR |
26,46 EUR |
36,46 EUR |
46,46 EUR |
250-619,99 EUR |
57,86 EUR |
72,86 EUR |
87,86 EUR |
620-2.500 + niet in geld waardeerbare vorderingen |
89,32 EUR |
109,32 EUR |
129,32 EUR |
boven 2.500 EUR |
188,64 EUR |
218,64EUR |
248,64 EUR |
Bijzondere tarieven voor procedures voor het Arbeidshof
Vordering in Eur |
Minimum |
Basis |
Maximum |
tot 249,99 EUR |
38,61 EUR |
48,61 EUR |
58,61 EUR |
250-619,99 EUR |
82,17 EUR |
97,17 EUR |
112,17 EUR |
620-2.500 + niet in geld waardeerbare vorderingen |
120,78 EUR |
145,78 EUR |
160,78 EUR |
boven 2.500 EUR |
251,50EUR |
291,50 EUR |
331,50 EUR |
De nieuwe tarieven van de rechtsplegingsvergoedingen én de wet van 21 april 2007 traden in werking op 1 januari 2008. De tarieven zijn onmiddellijk van toepassing op alle hangende zaken.
Alle door Ponet & De Vleeschauwer, Van Putlei 9, 2018 Antwerpen opgestelde teksten binnen dit document zijn auteursrechtelijk beschermd. Zonder uitdrukkelijke toestemming van advocaten-kantoor Ponet & De Vleeschauwer, mag niets van dit document worden overgenomen, gebruikt, gedistribueerd of aangepast, behoudens vermelding van de bron
DE LANDVERZEKERING
In het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2006 werd de Wet van 22 februari 2006 tot wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de Wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen gepubliceerd.
Met deze wet wordt de Richtlijn (EG) 2002/92 van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende de verzekeringsbemiddeling omgezet in Belgisch recht.
Het oogmerk van de desbetreffende Richtlijn was tweevoudig. Zij strekt ertoe de goede werking van de interne verzekeringsmarkt te bevorderen door belemmeringen inzake de werkzaamheden van de verzekeringstussenpersonen binnen de Europese Economische Ruimte weg te werken. Daarnaast beoogt zij , door middel van de coördinatie van de nationale bepalingen betreffende de vereisten van beroepsbekwaamheid en registerinschrijving van personen die actief zijn op het vlak van de verzekeringsbemiddeling, bij te dragen tot het voltooien van de interne markt voor financiële diensten en tot een betere bescherming van de consument op dat gebied.
Op die manier brengt de Richtlijn een Europees paspoort tot stand voor de tussenpersonen die op de interne markt actief willen worden.
De nieuwe regeling legt vooral de klemtoon op de verplichting van de verzekeringstussenpersoon tot het verstrekken van informatie en houdt verder vooral een verscherping in van het toezicht op het verzekerings- en herverzekeringsbemiddelingsbedrijf.
Artikel 33 van deze wet brengt een belangrijke wijziging aan in artikel 13 van de wet op de Landverzekeringsovereenkomst. Waar deze dwingendrechtelijke bepaling oorspronkelijk enkel betrekking had op de wijze van premiebetaling , wordt er thans een tweede lid aan toegevoegd dat betrekking heeft op de wijze van betaling van de verzekeringsprestatie door de verzekeraar.
Deze nieuwe wetsbepaling sluit volledig aan bij artikel 4 (4) , tweede lid , a van de Richtlijn (EG) 2002/92 van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende de verzekeringsbemiddeling.
De nieuwe tekst van artikel 13 L.V.O. luidt :
“Wijze van betaling van de premie en van de verzekeringsprestatie”
- De verzekeringspremie is een haalschuld.
Wanneer de premie niet rechtstreeks aan de verzekeraar wordt betaald, is de premiebetaling aan een derde bevrijdend indien deze de betaling vordert en hij voor de inning van die premie klaarblijkelijk als lasthebber van de verzekeraar optreedt. - Wanneer de verzekeraar de bedragen die hij in het kader van de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekerde of zijn rechthebbende is verschuldigd, niet rechtstreeks aan deze laatsten betaalt , bevrijdt enkel de werkelijke ontvangst van deze betaling door zijn verzekerde of zijn rechthebbende de verzekeraar van zijn verplichtingen.”
Aldus wordt – door de toevoeging van dit tweede lid - aan de verzekerde of zijn rechthebbende een aanvullende financiële garantie geboden.
Een premiebetaling gedaan aan een derde bij de verzekeringsovereenkomst (makelaar, agent, plaatsvervangend vertegenwoordiger van de verzekeringsmaatschappij) bevrijdde reeds sedert de inwerkingtreding van de L.V.O.-wet de verzekeringnemer wanneer deze derde de betaling van de premie vorderde én krachtens een klaarblijkelijk mandaat voor de inning van deze premie optrad voor de verzekeraar.
Het vermoeden van een dergelijk mandaat kan onder meer blijken uit de omstandigheid dat de desbetreffende derde reeds als lasthebber van de verzekeraar optrad bij het afsluiten of het uitvoeren van het verzekeringscontract.
Voortaan worden ook de verzekeringspenningen die de verzekeraar aan de tussenpersoon betaalt, pas geacht betaald te zijn aan de verzekerde of de rechthebbende , wanneer deze de betaling daadwerkelijk hebben ontvangen.
Het begrip “rechthebbende” dient ruim te worden geïnterpreteerd . Het omvat – desgevallend- ook de begunstigde of de benadeelde.
De verzekerde of de rechthebbende moeten geen enkel bewijs leveren van de omstandigheid dat de tussenpersoon duidelijk optreedt als lasthebber van de verzekeringsmaatschappij, nu de nieuwe wetsbepaling een wettelijk vermoeden van mandaat creëert.
Artikel 33 van de wet van 22 februari 2006 tot wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de Wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, is in werking getreden op 15 maart 2006.
Diefstal van sigaretten uit magazijn: geen BTW meer verschuldigd! ( Europees Hof van Justitie, 14 juli 2005)
Zoals in elke haven worden er ook in onze Antwerpse haven regelmatig sigaretten gestolen. Voor eigenaars, magazijnhouders en expediteurs, zijn dit soort van diefstallen een echte nachtmerrie. Een container vol tabaksproducten vertegenwoordigt een belangrijke waarde. Tot overmaat van ramp komt ook nog de Belgische douane om de hoek kijken. Naast de accijnsrechten die op de gestolen lading verschuldigd zijn, wordt er nog bijkomend BTW ingevorderd. We weten dat accijnsrechten en BTW op tabaksproducten een veelvoud van de productwaarde uitmaken zodat de volledige borgstelling van de expediteur-douaneaangever eraan moet geloven…
De huidige wetgeving.
Tabaksfabrikaten zijn communautaire accijnsproducten. De accijns ontstaat bij de productie of de invoeringvan deze producten. De accijnzen worden onder meer verschuldigd bij het constateren van tekorten. (Richtlijn 92/12/EEG van 25.2.1992)
Naast accijnsrechten kunnen deze tabaksfabrikaten nog bijkomend aan BTW worden onderworpen. Dit is het geval wanneer deze goederen onder bezwarende titel worden geleverd. (Richtlijn 77/388/EEG)
Betreffende tabaksfabrikaten had de Belgische wetgever in artikel 58 van het BTW Wetboek (1969) een afwijkende regeling voorzien. De BTW op deze goederen wordt niet geheven bij de levering maar telkens op het tijdstip dat de accijns moet worden voldaan. In de praktijk worden de tabakswaren voorzien van fiscale bandjes. Deze bandjes bewijzen de betaling van de accijnsrechten en de BTW.
Toen deze Richtlijn 77/388 toepasselijk werd in België, kon artikel 58 hoger vermeld behouden worden. Artikel 27 van deze Richtlijn machtigde immers elke lidstaat om afwijkende maatregelen te nemen ten einde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude te voorkomen.
Standpunt van de Douane.
Wanneer een partij sigaretten, die nog niet voorzien zijn van fiscale bandjes, uit een magazijn wordt gestolen, dienen hierop onmiddellijk de accijnsrechten, en ingevolge artikel 58 ook onmiddellijk BTW, betaald te worden. De BTW wordt bijgevolg, net als de accijnsrechten, verschuldigd bij het vaststellen van het tekort. De ontbrekende sigaretten worden voor de BTW geacht geleverd of verbruikt te zijn ingevolge het vastgestelde tekort.
In theorie kan de douaneplichtige nog het tegendeel trachten te bewijzen. Wanneer bijvoorbeeld de sigaretten later bij de dieven worden teruggevonden en dienen vernietigd te worden ingevolge het overschrijden van de bruikbaarheidsdatum, kan er in principe worden bewezen dat er geen levering of ‘verbruik’ plaatsvond. De betaalde BTW kan dan geregulariseerd worden. (Artikel 77 BTW Wetboek en art. 5 en 11 KB 13) Deze situatie is echter uitzonderlijk: doorgaans kan men de dieven, laat staan de lading, niet terugvinden of werd de lading ondertussen door helers opgekocht.
Een nieuwe mijlpaal in de rechtspraak.
Bij arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2005 werd er geoordeeld dat:
- Artikel 58 enkel de heffing van de verschuldigde BTW mag laten plaatsvinden voordat het belastbaar feit (levering) zich voordoet, om de heffing te vergemakkelijken. Artikel 58 mag geen nieuwe categorie BTW in het leven roepen, met name deze die automatisch ingevolge diefstal zou verschuldigd worden of deze die automatisch zou volgen uit het verschuldigd zijn van de accijnsrechten.
- Volgens het Hof van Justitie volgt uit de diefstal zelf geen verschuldigde BTW. De belastingplichtige wordt niet geacht het goed in het verkeer te hebben gebracht door het louter feit van het vastgestelde tekort. Bij diefstal wordt de dief enkel houder van deze goederen. Onder levering verstaat de Richtlijn in artikel 2 dat er een overdracht plaatsvindt van een lichamelijke zaak waarbij de overdrager de overnemer machtigt daarover feitelijk als eigenaar te beschikken. Een dief krijgt bijgevolg niet de macht op dezelfde wijze over de goederen te beschikken als de eigenaar zelf. Het gevolg is dan ook dat de Belgische douane zich niet op artikel 58 hoger vermeld kan beroepen om de BTW samen me de accijnsrechten te vorderen want er is geen verschuldigde BTW. Het vermoeden van verbruik dat de Belgische douane tot op heden heeft gehanteerd, gaat niet op voor de BTW die ingevolge diefstal wordt geheven.
Diefstal van goederen vormt geen “levering van goederen onder bezwarende titel” in de zin van Richtlijn 77/388/EEG. - De diefstal kan echter wel aanleiding geven tot het verschuldigd zijn van de BTW wanneer de goederen achteraf door de helers of dieven in de handel worden gebracht. Deze BTW is dan echter niet aan te rekenen op het slachtoffer van de diefstal maar wel op de personen die deze goederen daarna daadwerkelijk heeft ingevoerd of heeft geleverd.
Gelet op deze nieuwe uitspraak van het Europees Hof raden wij alle belastingplichtigen aan om bij de belastingadministratie bezwaar aan te tekenen wanneer BTW wordt geheven op gestolen sigaretten.






